De tempel van de moeder
“Nee! Die kant opgaan mag niet. Dat is heilige grond!”
“Je bent betaald om ons te brengen naar waar wij willen. Je gaat mee of je geeft alles terug en ik zorg ervoor dat je nooit meer werkt, Moussa!”
Zo waren ze al tien minuten in gebrekkig Engels tegen elkaar aan het roepen, mijn baas Peter en onze gids Moussa. Ik was het standbeeld aan het onderzoeken dat de weigering van Moussa in gang had gezet. Een Afrikaans vruchtbaarheidsbeeld van een vrouw met een overdreven zwangere buik, nog meer overdreven grote borsten en - heel atypisch voor dit soort beeld – een hand zoals een bewaker die wil zeggen dat we niet verder mogen gaan. Na acht trage kilometers door een bijna ondoordringbare jungle was dit eindelijk een teken dat we op de goede weg waren, maar nu wilde de gids dus niet meer verder.
“Stop!”, riep ik. Ik deed teken naar onze gids om te zwijgen en ik begon in het Nederlands te overleggen met Peter.
“Het heeft geen zin om hem te dwingen verder te gaan. Als hij nu al zo doet bij één beeld, wat als we dan slagen in onze missie.”
“Charlotte, zonder gids in deze jungle is waanzin. We hebben toelating van de regering en hij is betaald voor deze job.”
“Dit is duidelijk meer waard dan geld voor hem. Volgens de satellietbeelden is het nog minder dan twee kilometer van hetzelfde soort jungle.”
“Vol gevaarlijke dieren en overgroeide paden.”
“We hebben gezien hoe hij er mee omgaat en de laatste kilometers heb ik geen dier gezien dat we in het begin nog niet ontmoet hadden. Zolang we op dezelfde manier doorgaan en zijn machete kunnen meenemen, moet het doenbaar zijn.”
“Maar…”
“We zijn zo dicht bij de tempel. Als hij dan bij ons is met de machete en nog veel kwader wordt dan nu bij dit beeld?”
“Ik heb mijn pistool nog.”
“Je bent geen moordenaar, Peter. We kunnen dat soort conflict beter vermijden en dat pistool gebruiken als laatste redmiddel tegen grotere roofdieren. Moussa tegen zijn zin meenemen gaat ons enkel afremmen en tegenwerken. Als we hem achter laten kunnen we over een dag bij ons doel zijn. Dan is de tempel van ons. Dan wordt jij beroemd als de grootste ontdekker van onze generatie.”
Ik wist dat die laatste zin zou werken. Twee jaar had ik gewerkt aan mijn onderzoek naar “De Moeder”. Het was allemaal begonnen toen mijn man me verlaten had na vele IVF en andere behandelingen in de hoop van zwanger te worden. De ongewenste kinderloosheid en de relatiebreuk dreigden teveel te worden en ik had me op mijn werk als archeologe gestort. Peter had me wat ruimte gegeven om zelf mijn onderwerpen te kiezen. Niet omdat hij met mijn gevoelens rekening hield, maar omdat hij zag dat ik me kapot werkten om mijn problemen te vergeten. Ik werkte lange dagen aan een verschrikkelijk tempo. Als hoofd van het departement had hij er alleen maar voordeel bij om me zo productief te laten zijn.
Ik bestudeer oude teksten als job en ik was me beginnen verdiepen in mythes over godinnen, specifiek moeder godinnen en vruchtbaarheidsgodinnen. Het was vluchtgedrag. Ik wist dat ik geen kinderen kon krijgen en onderzocht nu alle mythes over vruchtbaarheid. Ik had veel teksten en beelden gevonden in de archieven en begon een patroon te zien. Er zat veel overlap tussen verschillende mythes en hoe verder ik zocht, hoe ouder de verwijzingen werden. Ik werd ervan overtuigd dat veel van die mythes over godinnen als Gaia, de oermoeder, moeder natuur over veel culturen heen dezelfde basis hadden. Die basis was ouder dan de meeste andere religies en ging terug over de hele wereld naar één bron. De eerste religie was volgens mij gebaseerd op een vrouwelijke god en die mythologie was de eerste man uit de eerste vrouw geboren en niet andersom zoals in vele scheppingsverhalen in de grote religies vandaag.
Dat was het punt waarop Peter begon in te grijpen. Veel universiteiten stonden bekend als ‘links’ en ‘woke’ en op een aantal punten zat daar een kern van waarheid is, maar op vlak van vrouwenemancipatie was het op veel plaatsen toch nog een man die de baas was en de vrouw die dubbel zo hard moest knokken om haar plaats op te eisen. Peter was zo’n professor die zichzelf beter vond dan de professoren onder hem, zeker de vrouwen. Hij was specialist in het toe-eigenen van andermans werk en het behouden van de status quo. Toen ik met mijn theorieën naar hem ging om verder te gaan en een expeditie op te zetten op zoek naar bewijsmateriaal stond hij op de rem. Ik moest het onvruchtbaar zijn loslaten en terug relevante onderwerpen bestuderen.
Overdag gehoorzaamde ik. Ik had door de jaren geleerd om dit soort gevechten niet openlijk aan te gaan. Maar in het geniep had ik aan een vriendin in een ander departement gevraagd om met speciale satellietcamera’s beelden te maken van de dichtst begroeide jungle in Afrika. De eerste beelden waren niet gedetailleerd, maar genoeg om te zoeken naar bewijs voor mijn theorie. De satelliet kon de grond onder het bladerdek in kaart brengen en in de regio waar ik het verwacht had, vond ik concentrische vierkanten. Geen natuurlijke vorm, maar meer de vorm van een getrapte piramide zoals in Zuid-Amerika. Opnieuw ging ik naar Peter, deze keer vleiend. Ik spiegelde hem de roem voor als hij die nieuwe tempel als eerste zou ontdekken. Het had gewerkt. Eerst kwam er geld vrij voor meer gedetailleerde satellietbeelden en daarna werd alles geregeld voor de expeditie die we nu aan het uitvoeren waren.
“Moussa,” begon ik, “we begrijpen dat je niet verder wil gaan, maar wij gaan wel door. Als je ons de machete meegeeft, dan geraken we wel bij ons doel.”
“Ik… Het is gevaarlijk mevrouw. Geen mens die hier voorbij gaat komt terug.”
“Dat geloof ik niet. We zullen voorzichtig zijn en jij bent al betaald.”
Hij stribbelde nog even tegen. Ik moest teken doen naar Peter dat hij niet mocht ingrijpen of hij zou het weer verpest hebben. Uiteindelijk gaf Moussa ons de machete en nog wat extra eten en drinken. Hij keek nog een laatste keer naar ons en hoofdschuddend herhaalde hij zijn waarschuwing:
“No man ever returns... Geen mens keert ooit terug!”
Eindelijk gingen we verder, Peter voorop met de machete. Na een halve dag een weg te kappen door de jungle kwamen we weer een beeld tegen. Groter deze keer, maar weer een vrouw met grote borsten die een verbodsteken maakt.
“We zijn in Afrika, maar dit beeld heeft meer weg van de Zuid-Amerikaanse beelden.”
“Je hebt gelijk, Charlotte. Kijk de versiering op de achthoekige sokkel. Dat zijn Azteekse patronen.”
“Er staat tekst onder… Dat kan niet… Ongelooflijk.”
“Wat?”
“Ik kan dit niet lezen, maar dit is Azteeks, en de volgende zijde is een Afrikaanse taal, dit is duidelijk een Aziatische taal, op het eerste zicht chinees, er zijn Egyptische hiërogliefen en dit is Latijn en Grieks.”
We bekeken de talen die we wel kenden. In het Grieks stond er hetzelfde als in het Latijn.
“Geen man mag verder!”
Ik dacht terug aan de waarschuwing van Moussa. Ik had het Engelse ‘man’ als mens geïnterpreteerd, maar in het Latijn staat er duidelijk ‘vir’ wat man betekend en niet ‘homo’ wat mens zou willen zeggen. De waarschuwing was voor Peter bedoeld. Niet voor mij.
“Dit beeld is van onschatbare waarde. Het is als de steen van Rosetta. De tekst is misschien korter, maar er staan meer talen op. Ook talen van andere continenten. Dit is bewijs dat deze cultuur contacten had over de oceaan.”
“Laten we doorgaan. De tempel kan niet ver meer zijn.”
“Geduld, Peter. Eerst wil ik nog wat foto’s nemen en markeren waar we nu zijn.”
Ik begon te fotograferen en notities te maken, terwijl Peter ongeduldig wachtte.
“Wat denk je van de tekst? Moussa zei praktisch hetzelfde. Het is niet veilig voor mannen hier.”
“Haha. Heel grappig. Je hebt me nodig om de tempel te bereiken en veilig terug te geraken. Je gaat niet alleen met de eer lopen. Ik blijf hier niet wachten voor wat eeuwenoud bijgeloof.”
“De coördinaten zijn opgeslagen. We kunnen doorgaan. Volgens de satellieten zouden we de eerste sporen van de tempel ongeveer vijfhonderd meter verder moeten vinden.”
Peter vertrok en maakte een goed tempo. Het was duidelijk dat hij nog voor de avond de tempel wilde bereiken.
Plots botsten we op een muur. Eerst dacht ik dat het heel dicht groeiende planten waren, Maar tussen de stengels door zat er mos dat groeide op stenen achter de planten.
“Dit moet de buitenste muur zijn!” begon Peter.
Ik keek links en rechts en dan op onze satellietbeelden.
“Ik denk dat je gelijk hebt. Volgens mij zitten we hier.”
Ik wees op onze kaart en we zaten in de buurt van de hoek van een tempel. Als we rechts gingen, dan konden we dat bevestigen.
“Het moet een lage piramide zijn. Als ik omhoog kijk zie ik enkel planten.”
“Dat kan optisch bedrog zijn, Peter. Het is hier zo dicht begroeid, we kunnen niet echt afstand nemen. Maar ik zie wel hoge bomen die over de muur hangen en een dik bladerdek maken, en geen hoge planten achter deze muur.”
We wandelden verder, richting de hoek. Af en toe deden we wat mos weg en net als bij het laatste beeld vonden we versieringen uit verschillende culturen. Bij de hoek weer een beeld. Ik wilde het verder bekijken, maar Peter overtuigde me om eerst de tempel te verkennen. Het was al later aan het worden. We bleven de muur volgen en kwamen aan bij een trap. Hij was bijna niet te herkennen door de plantengroei, maar eens Peter de onderste meters wat vrijgemaakt had met de machete konden we tot boven kijken. Vol spanning begonnen we aan de beklimming. De stenen muur en de beplanting hadden de piramide goed aan het zicht onttrokken, maar nu we op de trap stonden, werd de vorm helemaal duidelijk. Het leek op de piramides in Mexico, maar de versieringen verwezen naar alle culturen van enkele duizenden jaren geleden.
We klommen hoger en vanop de trap keken we naar de tussenliggende plateaus.
“Daar zouden we straks onze tent kunnen opzetten. Dan moeten we geen zone vrij kappen.”
“Je hebt gelijk, Charlotte, maar eerst wil ik de top bereiken.”
“Natuurlijk, Peter. Daarom dat ik straks zei.”
Hoe hoger we kwamen, hoe dichter we bij het bladerdek van de bomen waren. Het was prachtig, maar mijn aandacht ging toch naar de tempel. Bovenaan vonden we een altaar met daarachter een muur vol tekst in verschillende talen. We begonnen met het altaar te bekijken.
“Er staat een schaal op en er zijn duidelijk oude bloedsporen. Hier werden offers gegeven.”
“De verkleuring is nog redelijk fel. Is dat meestal niet veel fletser bij eeuwenoude tempels?”
“Je hebt gelijk, Peter. Aan het mos te zien zit het bloed er wel al lang, maar aan de kleur te zien eerder decennia dan eeuwen.”
Peter wreef met zijn hand door de schaal om wat mos weg te doen, maar hij prikte zich aan een ruw stukje.
“Auw! Nu zit er minstens één druppeltje in waarvan we weten hoe oud het is”, grapte Peter.
Ik moest even lachen maar was ondertussen druk de muur aan het bekijken. Nog veel meer talen dan op het beeld. Ik nam Peter vast en wees naar de muur.
“Hier staat weer steeds hetzelfde, maar dan in andere talen.”
Ik las het opschrift in het latijn.
“Matrem. Suscipe oblationem meam. Facite fertilis quod est sterilis. Dat betekent: Moeder aanvaard mijn offer. Maak vruchtbaar wat onvruchtbaar is.”
Peter wilde antwoorden maar de tempel begon te trillen en de muur bleek een deur te zijn die zich begon te openen.
“Ongelofelijk! Heb jij ergens op gedrukt, Peter?”
“Nee, niet dat ik weet. Dit is een eeuwenoude tempel. Hoe kan die deur ineens open gaan? Er zou toch niemand binnen zijn?”
Peter hield zijn machete in de aanslag en ik keek nog rondom me heen op zoek naar een hendel of knop, zonder de opengaande deur lang uit het oog te verliezen. Ik vond niets en de tempel stopte met trillen.
Voorzichtig keken we binnen. Er was niets of niemand te zien, enkel wat muurschilderingen en een trap naar beneden. Wat lager zagen we een bordes, maar de trap ging de hoek om.
“Wow, deze muurschilderingen zijn prachtig en nog zo kleurrijk!”
Ik zag links van me een groep vrouwen en op de muur rechts een groep mannen. Het was een duidelijk diverse groep met mensen van verschillende etniciteiten en lichaamsbouw. Totaal niet wat je zou verwachten van een oude tempel in Afrika.
“Je hebt gelijk, Charlotte, maar wat gaan we doen? Gaan we dieper de tempel in? Of zoeken we eerst uit hoe die deur open ging?”
“Ik ben wel heel benieuwd, maar we mogen niet vergeten ons kamp op te zetten voor het donker is. Zullen we anders snel even verder kijken en daarna ons kamp klaar maken?”
“Ik weet het niet. Kunnen we het wel vertrouwen? Wie deed die deur open?”
“Hallo! Is daar iemand? … Anyone there?”
“Wat doe je nu?”
“Proberen uit te zoeken of er iemand binnen is. Ik hoor niets.”
Even bleef het stil.
“Ik ook niet.”
“Laten we tot aan het bordes gaan en de hoek om kijken en dan ons kamp maken.”
“Ok dan. Ik moet toegeven dat ik ook heel nieuwsgierig ben.”
Zodra we een voet op het lagere bordes gezet hadden, zagen we een nieuwe muurschildering, maar de trillingen begonnen weer. Ik keek om en liep naar boven, maar het was te laat. De deur was toe. We zaten vast.
“Verdorie! We moeten die deur terug open krijgen.”
In het flauwe licht dat door kleine raamopeningen scheen, zocht ik de zaklampen in onze tas.
“Kijk jij links, ik zoek rechts. Er moet hier toch ergens een hendel zijn.”
“Ik vind niets hier. Ik ga even op het bordes kijken. Misschien is er ergens een steen die als knop werkt.”
“Jij hebt teveel avonturenfilms gekeken, Peter.”
“Ik zie heer geen enkele andere optie. Zodra we er een voet op gezet hadden is de deur beginnen sluiten. Heb jij een betere verklaring?”
Ik moest hem gelijk geven. Er was geen logische reden te vinden.
“Het enige dat ik kan bedenken is dat iemand ons in het oog houdt en de deur heeft geopend en gesloten vanop een afstand.”
“Dat is geen geruststelling, maar dat was ik ook aan het denken, Charlotte. Wat nu?”
Ik bekeek onze satellietzenders. Geen bereik.
“Als we niet terug kunnen, moeten we voorwaarts. Maar wel voorzichtig.”
Om de hoek was het gelijkaardig aan bovenaan in de tempel. We konden een trap zien die weer een hoek om ging. Deze was al iets minder steil. Hoe lager we kwamen, hoe meer plaats er was om dezelfde afstand naar beneden te gaan. Ik had een vermoeden dat we op een spiraalvormige trap langs de zijkant van de tempel naar beneden zouden moeten gaan. Voor we afdaalden bekeken we de muurschilderingen op het bordes. Aan mijn zijde dezelfde vrouwen, maar ze gingen allemaal een andere kant op. Sommige vrouwen waren half vrouw, half dier. Één blonde, westerse vrouw zonder dierlijke kenmerken bleef in de richting van de trap gaan.
“Blond en westers, net als ik.”
Aan Peters kant was er een gelijkaardig beeld, maar sommige van de mannen begonnen vrouwelijke en dierlijke trekken te vertonen. De enige man die door ging en normaal bleef is een zwartharige westerse man, net als Peter.
“Deze lijkt ook wat op mij. Hoe kan dit?”
We wandelden verder naar beneden. Ik voelde me een beetje raar en ongemakkelijk en ik zag dat ook Peter er niet gerust in was. We wandelden bijna tegen elkaar en keken regelmatig achterom. Daar bleef het stil en donker, maar voor ons hoorde ik heel zachtjes water lopen.
“Hoor jij dat ook? Water?”
“Ja, nu je het zegt. Zou er een bron zijn in deze tempel?”
“Het is niet heel ongewoon om een tempel aan een bron te maken. En het past wel bij het vruchtbaarheidsthema.”
“Als er water loopt in de tempel, dan moet het er ook ergens uit komen. Dat kan onze uitweg zijn.”
Op het bordes zagen we weer een trap en muurschilderingen. Hetzelfde als het vorige bordes. Ik wilde ze bekijken, maar plots hoorde ik heel dichtbij ook water lopen.
“Van waar komt dat water, Peter?”
“Oh nee!” jammerde hij.
Peter scheen naar beneden en ik zag meteen dat het water uit hem kwam. Hij was in zijn broek aan het plassen en stopte niet meteen.
“Peter! Wat doe je nu?”
“Kijk weg! Ik kan het niet stoppen en ik wil niet dat je me zo ziet!”
“Als een klein jongetje dat van schrik in zijn broek plast?” grapte ik.
Het plassen stopte.
“Heel grappig hoor. Ik weet ook niet hoe het gebeurde. Sinds we deze tempel in gegaan zijn is alles raar en onverklaarbaar. Niet alleen de deur en die muurschilderingen die op ons lijken, maar ik voelde me ook raar.”
“Ik voel me inderdaad ook raar. Ik hoop dat ik ook niet in een broekplasser verander.”
“Stop met me uit te lachen en geef me de tas en ga dan even naar een ander bordes. Dan kan ik een droge broek aan trekken.”
Ik deed wat hij vroeg en na even twijfelen ging ik toch naar het lagere bordes. Opnieuw voelde ik me raar en ik keek meteen naar mijn broek om te controleren of ik toch ook niet aan het plassen was.
Een beetje hoger hoorde ik Peter wat sukkelen en ik bekeek ondertussen de schilderingen. De blonde vrouw wandelde nog steeds door, maar er was iets veranderd aan haar. De verhoudingen waren anders of zo. Ik kon er niet meteen de vinger op leggen wat er was gebeurd met haar. Op de achtergrond zag ik de andere vrouwen en enkele dieren in de verte verspreiden. Aan de andere kant zag ik de man kruipen, maar voor ik de details kon bekijken hoorde ik: “Charlotte!”
“Wat is er, Peter?”
“Ik… Het lukt niet. Ik ga je hulp nodig hebben.”
“Om je natte broekje te verschonen?”, lachte ik terwijl ik naar boven ging.
Het lachen stopte meteen toen ik hem zag. Hij zat op handen en knieën, zoals de muurschildering een bordes lager. Aan zijn enkels zat zijn natte broek. De natte onderbroek had hij nog aan. Hij was duidelijk in paniek.
“Het lukte niet… Ik kan ook niet meer rechtstaan… Ik…”
Hij durfde me niet aankijken. Snikkend was hij aan het uitleggen wat er niet lukte en dan zag en hoorde ik hem kaka doen. Er ontstond een bult in zijn natte broek en een stank vulde de gang terwijl Peter begon te wenen.
Ik bukte me en begon hem te troosten. Hij was dan niet mijn favoriete persoon, maar deze vernedering wenste ik hem nu ook weer niet toe.
“Laat me je helpen, Peter. We moeten zo snel mogelijk een uitgang vinden en een dokter opzoeken.”
Hij keek me aan en ik zag dat zijn ogen op mijn borsten blijven hangen. Dat deden ze wel meer, maar nu was er toch iets anders in zijn blik.
“Mijn ogen zijn hier, Peter”, zei ik streng. “En het is niet omdat je in je broek doet als een baby dat ik je aan de borst zou nemen” voegde ik lachend toe.
Beschaamd keek hij weg. Ik nam de tas en begon te zoeken naar het toiletpapier en propere kleren.
Het was opnieuw ongelofelijk. Het was onze tas en er was niemand in de buurt geweest buiten Peter, maar ik vond geen kleren meer van hem. Er zaten enkel doeken in. Doeken en spelden. Groot genoeg om rond Peters billen te vouwen. Ik was geschrokken, maar liet niet meteen merken aan Peter wat ik had gevonden. Hij durfde me nog steeds niet aankijken en als een mak lammetje liet hij zich op zijn rug leggen op een doek die ik had klaargelegd naast de natte vlek op de grond. Hij kneep zijn ogen toe toen ik begon met de onderbroek voorzichtig uit te trekken. Hij was haarloos onder zijn broekje en nu ik erop lette, zag ik dat hij overal haarloos was. Ik had zijn armen en benen genoeg gezien om te weten dat ze normaal harig waren, maar nu dus niet meer. Toen het broekje uit was bekeek ik hem en ik kon een lachje niet inhouden.
“Wat? Ben je aan het lachen met mijn vuile billen?”
“Nee, Petertje, maar zien hoe klein je geschapen bent verklaart een hele hoop compensatiegedrag.”
“Wat?… Maar… Normaal is…”
“Geen excuses maken. Jij kan daar ook niet aan doen. Doe je beentjes maar omhoog en dan maken we die billetjes proper.”
Hij viel weer stil. Zijn hoofd werd nog roder dan het al was en ik zag tranen uit zijn dichtgeknepen ogen lopen terwijl ik alles schoon maakte. De vuile doek ging weg en een propere kwam in de plaats. Ik begreep niet hoe ik het deed, maar ik had het doek juist gevouwen en kon die nu over zijn kleine piemeltje plooien. Ik plooide het doek naast zijn billen omhoog en met twee spelden zat de wasbare luier perfect rond zijn midden. Alsof ik het al honderd keren had gedaan.
“Klaar!”
“Maar… Waar is mijn broek?”
“Dit was alles wat in je tas zat. Ik kan er niet aan doen dat jij alleen luiers hebt ingepakt, maar ik heb wel gemerkt dat ze nodig zijn.”
“Maar… Ik heb dat helemaal niet ingepakt.”
Als een bezetene begon hij de tassen te inspecteren. In die van hem zaten enkel doeken en spelden en dan nog een tasje. Zijn toilettas, dacht hij. Maar wanneer hij dat zakje opende, kwam er een speen tevoorschijn. Hij wou ze snel terug steken, maar die had ik gezien en ik nam ze snel uit zijn handen.
“Wat heb je daar, kleine man? Een tutje?”
“Ik weet niet hoe dat daar komt, net als die luiers. Wat heb je met mijn tas gedaan? Waar zijn mijn kleren en mijn toilettas?”
“We hadden waar twee tassen mee. Hier is de andere als je me niet gelooft.”
Met zijn zaklamp keek hij rond en in de buurt lagen enkel zijn vuile kleren, de machete, zijn tas met de tent eraan vast geknoopt en mijn tas. Hij begon die uit te laden en ik zie mijn kleren tevoorschijn komen. Er is niets abnormaals, enkel dat hij zo rustig blijft terwijl hij door mijn ondergoed gaat.
“Zie je wel! Geen kleren van jou te vinden. Ik weet niet wat er aan het gebeuren is, maar die luier lijkt me veiliger. Laten we verder gaan en een uitweg zoeken.”
Peter zat voor zich uit te staren en ik vulde de rugzakken. De vuile kleren en doeken liet ik op de grond liggen.
“Kan je stappen of kruip je mee?”
Hij probeerde even recht te komen, maar landde al snel op zijn luier. Daarna kroop hij mee de trap af. Nu ik meer tijd had, bekeek ik de muurschilderingen nog een keer. Aan Peters kant zag ik de kruipende man. Ik keek naar zijn billen en het viel op dat hij naakt was op een luier na. In de verte op de achtergrond wandelden vrouwelijke en zwangere dieren weg. Geen mannen en geen mensen. Aan mijn kant zag ik de vrouw met de gewijzigde verhoudingen. Ik betastte mezelf terwijl ik de tekening van boven tot onder bekeek. Bij mijn borsten voelde ik het verschil. Ze voelden voller, groter. Nu ik het voelde, zag ik het ook op de tekening. De vrouw was even groot, maar haar heupen en borsten waren in verhouding groter geworden. Ik zei niets tegen Peter maar ik begon me meer zorgen te maken. Onze lichamen volgenden wat er op de muren stond. Wat zou er bij het volgende bordes staan? Ik keek naar hem en zag dat hij weer naar mijn borsten staarde, maar totaal niet seksueel. Normaal zou ik hem erop aanspreken of op zijn minst plagen, maar ik liet het passeren.
“Laten we verder gaan.”
Bij elke treden lager voelde ik weer die vreemde tintelingen. Halverwege de trap werd ik me bewust van het gewicht van mijn borsten. Ze werden nog groter. Ik durfde er de aandacht niet op vestigen met de zaklamp, maar met mijn vrije hand ging ik voelen. Ik had tot nu toe een bescheiden b-cup, maar dit voelde minstens drie cupmaten groter. De bh en mijn shirt groeiden mee, want er spande niets. Hoe kon dit toch? Ik scheen even naar Peter. Hij zag er kleiner uit. Meer een tiener dan de man die hij was. Ik durfde niets zeggen en hij ook niet. Bij het volgende bordes zagen we weer schilderingen. De vrouw was nu alleen en had verhoudingen die meer en meer op een vruchtbaarheidsgodin leken. Ik voelde aan mijn lichaam en merkte de brede heupen en gigantische borsten op. Met een hand onder mijn shirt deed ik mijn bh uit. Behendig deed ik de bandjes over mijn armen en trok ik de bh naar buiten. Het was het model dat ik daarstraks droeg, maar het label zei nu ‘F’. Ik keek naar Peter en zag hem weer staren. Ik kon het het kind niet kwalijk nemen. Hij zag er nu een jaar of tien uit en er kwam een beetje kwijl uit zijn mond.
“Je bent weer aan het staren, Petertje.”
“Sojjy”, klonk het met een kinderstem.
Hij hoorde hoe hij klonk en begon meteen te huilen als en kind. Ik hing naast hem zitten en gaf hem een knuffel. Zijn hoofd lag tussen mijn grote borsten en dat kalmeerde hem duidelijk. Het wenen werd snikken en samen keken we naar de mannelijke kant van de muurschildering. De man was weg. Peter zag er in het echt uit als een kind, maar op de muurschildering kroop een baby. Peter begon te duimen toen hij de baby zag en ik wist dat hij er net zo zou uitzien tegen dat we het volgende bordes zouden bereiken. Dat bordes lag weer een heel eind verder, maar ik zag een beetje licht waar de trap de hoek om ging. Snel zocht ik het tutje in de tas en Peter nam het aan zonder protesteren. Ik tilde hem op mijn arm en ging snel de trap af. Het gewicht op mijn arm verminderde, maar dat van mijn borsten vermeerderde. Bijna bij het bordes voelde ik nattigheid. Ik dacht eerst dat Peter zin luiertje aan het vullen was, maar in het iets fellere licht zag ik die kring ter hoogte van mijn borst. Er was maar één muurschildering hier en ik wist meteen dat de baby op mijn arm ook dadelijk aan mijn borst zou drinken zoals op de muur stond.
Een kwartier eerder had ik er nog mee gelachen om ham te plagen, maar nu voelde ik voor het eerst melk uit mijn lijf vloeien in de mond van die lieve baby in mijn armen. Ik kwam binnen als onvruchtbare vrouw, maar nu was ik Petertje aan het zogen en zag ik eruit als de vruchtbaarheidsbeelden die we gepasseerd zijn. Ik denk aan de spreuk. Ik had Peter vast toen ik 'aanvaard mijn offer' had gezegd. Zijn bloed zat ook in de offerschaal. Ik heb Peter zijn volwassenheid geofferd aan de godin en heb vruchtbaarheid in de plaats gekregen. Vanop het bordes kijk ik naar het hart van de tempel. Het is er veel lichter dan op de trappen. Er staat een altaar met daarachter een bassin en daarachter een groot beeld. Uit de borsten van het beeld loopt het water in het bassin. De moedergodin die leven geeft langs haar borsten, net zoals ik het nu doe. Ik wilde gaan onderzoeken, maar mijn kind was nog aan het drinken. Niet meer die arrogante rotzak, niet mijn baas, maar mijn baby. Hij was van mij en ik zou hem veel beter opvoeden. Als hij groter werd zou hij respect voor vrouwen hebben en minder egoïstisch zijn. Daar was ik van overtuigd. De godin had hem een herkansing gegeven en mij mijn wens. Ik keek naar het beeld en prevelde “Ik zal uw cadeau niet verspillen”.
Het zuigen aan mijn borst verminderde en het luiertje werd natter en wat later ook mijn broek. Mijn shirt was al uit, maar nu deed ik ook de rest van mijn kleren uit en daarna het luiertje van mijn baby. Naakt stapten we de trap af, het heiligdom van de tempel binnen. Mijn baby en ik lachten naar de godin die ons lachend toekeek. Het was een stenen beeld en toch leek het ons aan te kijken en uit te nodigen. Met Peter op de arm stapte ik het bassin in. Hoe meer ik hem waste hoe schattiger en kleiner hij werd. Tot hij plots weg was. Toch was ik niet in paniek. Ik voelde hem nog. Ik wist dat hij veilig was. Ik stapte uit bad en zag een vruchtbaarheidsbeeld staan. Een zwangere vrouw met brede heupen, een dikke buik en zeer grote borsten. Haar hoofd was westers, haar haren lang en golvend als de mijne. Naast het beeld was er een spiegel. Mijn reflectie leek op een kleurenversie van het beeld. Ik was onvruchtbaar binnen gegaan en nu was ik het archetype van vruchtbaarheid. Ik was tevreden en dankte de moeder.
Er was een nieuwe trilling en een deur opende. Een pad weg van de tempel werd zichtbaar. Zonder nadenken ging ik op weg, volledig naakt door de jungle, vertrouwend op de zegening van de moeder. Het was schemerdonker toen ik vuur zag aan het einde van het pad. Ik werd opgewacht door onze gids Moussa en Afrikaanse vrouw die dezelfde lichaamsbouw had als ik, op de zwangere buik na. Ze was ook een stuk ouder, maar onder haar mooie gewaad zaten duidelijk brede heupen en grote borsten. Moussa kijkt naar mijn naakte lichaam. Niet begeerlijk, maar vol ontzag. Hij knielt neer voor me.
“Jij bent gezegend door de moeder”, begon de vrouw. “Net als ik ben je voorbestemd om priesteres te worden. Net als ik zal je opgeleid worden tijdens je zwangerschap en de eerste maanden van je zoons leven. Daarna wordt jij in mijn plaats de nieuwe hoge priesteres van de tempel.”
“En mijn zoon? Kan hij bij me blijven?”
“Natuurlijk. De moeder laat het niet toe een kind te scheiden van zijn moeder. Mijn Moussa is er het bewijs van.”
Ik keek naar onze gids, zoon van de priesteres.
“Jij wist heel goed wat er zou gebeuren als we verder gingen. Je had het zelf meegemaakt. Waarom liet je ons door?”
Hij keek even naar zijn moeder die knikte.
“Jullie komst was voorspeld. Ik mocht jullie helpen, maar niet in de heilige zone gaan. Alleen vrouwen en kinderen mogen daar komen.”
“Ik begrijp het.”
We wandelden verder het dorp in. Ik had me neergelegd bij mijn lot. De moeder had mij gezegend met een kind en ik zou haar terugbetalen door haar te dienen. Peter had die keuze niet gehad. Ik vroeg me af wat hij hiervan zou vinden.
“Moussa. Jij was zoals Peter. Herinner jij je nog iets van je vorig leven?”
“Nee, maar het was niet helemaal zoals Peter. Ik was geen man, ik was de hond van van mijn moeder en ik was een teefje.”
“Wat?”
De priesteres nam het over.
“Mijn man was gewelddadig. Ik was heel aan hem uitgehuwelijkt, maar was na een jaar aan verkrachtingen nog steeds niet zwanger geraakt. Mijn hond Moussa was mijn enige troost. Ze was mijn trouwste vriend en volgde me overal. Op een dag sleurde mijn man me mee naar de tempel en de hond volgde. Hij sprak de spreuk uit en sneed Moussa de keel over in de offerschaal.”
“Afschuwelijk.”
“Dat vond de godin ook. Ze verscheen in de deuropening en sprak mij man streng toe terwijl ik huilde om mijn lieve Moussa.”
“Hier dood je geen vrouwen!”
“Dat is geen vrouw, dat was maar een teef. Ik heb je een leven gegeven, geef mij nu een kind!”
“Geen respect voor vrouwen en geen respect voor leven en jij komt een kind eisen?”
De godin legde een hand op de dode Moussa en een hand op mijn man. De dode hond begon te veranderen. Zij werd meer en meer een reu. Moussa begon haren te verliezen. Zijn achterpoten werden benen, zijn voorpoten armen. Mijn huisdier, mijn beste vriendin lag nu als geofferde op het altaar in het lichaam van mijn man.
“Besef je nu wat je hebt gedaan? Heb je meer respect voor dit lijk?”
“Mijn man kon niet meteen antwoorden en toen begon hij te veranderen. Eerst vervrouwelijkte hij. Zijn heupen werden breder, zijn gezicht werd zachter en een mooi paar borsten groeide. Daarna werd de aantrekkelijke vrouw hariger. Haar armen en benen werden poten, haar gezicht werd spitser en mijn man stond er als een jammerende teef. Met een handbeweging over de nek van mijn man, de teef, bloedde ze dood. Eenzelfde beweging over Moussa’s nek deed de wonde verdwijnen en gaf hem leven. Samen gingen we binnen en in mijn buik kwam hij mee buiten. Net zoals jij vandaag. Zo gaat het sinds het begin der tijden en zo zal het blijven doorgaan.”
“Nee! Die kant opgaan mag niet. Dat is heilige grond!”
“Je bent betaald om ons te brengen naar waar wij willen. Je gaat mee of je geeft alles terug en ik zorg ervoor dat je nooit meer werkt, Moussa!”
Zo waren ze al tien minuten in gebrekkig Engels tegen elkaar aan het roepen, mijn baas Peter en onze gids Moussa. Ik was het standbeeld aan het onderzoeken dat de weigering van Moussa in gang had gezet. Een Afrikaans vruchtbaarheidsbeeld van een vrouw met een overdreven zwangere buik, nog meer overdreven grote borsten en - heel atypisch voor dit soort beeld – een hand zoals een bewaker die wil zeggen dat we niet verder mogen gaan. Na acht trage kilometers door een bijna ondoordringbare jungle was dit eindelijk een teken dat we op de goede weg waren, maar nu wilde de gids dus niet meer verder.
“Stop!”, riep ik. Ik deed teken naar onze gids om te zwijgen en ik begon in het Nederlands te overleggen met Peter.
“Het heeft geen zin om hem te dwingen verder te gaan. Als hij nu al zo doet bij één beeld, wat als we dan slagen in onze missie.”
“Charlotte, zonder gids in deze jungle is waanzin. We hebben toelating van de regering en hij is betaald voor deze job.”
“Dit is duidelijk meer waard dan geld voor hem. Volgens de satellietbeelden is het nog minder dan twee kilometer van hetzelfde soort jungle.”
“Vol gevaarlijke dieren en overgroeide paden.”
“We hebben gezien hoe hij er mee omgaat en de laatste kilometers heb ik geen dier gezien dat we in het begin nog niet ontmoet hadden. Zolang we op dezelfde manier doorgaan en zijn machete kunnen meenemen, moet het doenbaar zijn.”
“Maar…”
“We zijn zo dicht bij de tempel. Als hij dan bij ons is met de machete en nog veel kwader wordt dan nu bij dit beeld?”
“Ik heb mijn pistool nog.”
“Je bent geen moordenaar, Peter. We kunnen dat soort conflict beter vermijden en dat pistool gebruiken als laatste redmiddel tegen grotere roofdieren. Moussa tegen zijn zin meenemen gaat ons enkel afremmen en tegenwerken. Als we hem achter laten kunnen we over een dag bij ons doel zijn. Dan is de tempel van ons. Dan wordt jij beroemd als de grootste ontdekker van onze generatie.”
Ik wist dat die laatste zin zou werken. Twee jaar had ik gewerkt aan mijn onderzoek naar “De Moeder”. Het was allemaal begonnen toen mijn man me verlaten had na vele IVF en andere behandelingen in de hoop van zwanger te worden. De ongewenste kinderloosheid en de relatiebreuk dreigden teveel te worden en ik had me op mijn werk als archeologe gestort. Peter had me wat ruimte gegeven om zelf mijn onderwerpen te kiezen. Niet omdat hij met mijn gevoelens rekening hield, maar omdat hij zag dat ik me kapot werkten om mijn problemen te vergeten. Ik werkte lange dagen aan een verschrikkelijk tempo. Als hoofd van het departement had hij er alleen maar voordeel bij om me zo productief te laten zijn.
Ik bestudeer oude teksten als job en ik was me beginnen verdiepen in mythes over godinnen, specifiek moeder godinnen en vruchtbaarheidsgodinnen. Het was vluchtgedrag. Ik wist dat ik geen kinderen kon krijgen en onderzocht nu alle mythes over vruchtbaarheid. Ik had veel teksten en beelden gevonden in de archieven en begon een patroon te zien. Er zat veel overlap tussen verschillende mythes en hoe verder ik zocht, hoe ouder de verwijzingen werden. Ik werd ervan overtuigd dat veel van die mythes over godinnen als Gaia, de oermoeder, moeder natuur over veel culturen heen dezelfde basis hadden. Die basis was ouder dan de meeste andere religies en ging terug over de hele wereld naar één bron. De eerste religie was volgens mij gebaseerd op een vrouwelijke god en die mythologie was de eerste man uit de eerste vrouw geboren en niet andersom zoals in vele scheppingsverhalen in de grote religies vandaag.
Dat was het punt waarop Peter begon in te grijpen. Veel universiteiten stonden bekend als ‘links’ en ‘woke’ en op een aantal punten zat daar een kern van waarheid is, maar op vlak van vrouwenemancipatie was het op veel plaatsen toch nog een man die de baas was en de vrouw die dubbel zo hard moest knokken om haar plaats op te eisen. Peter was zo’n professor die zichzelf beter vond dan de professoren onder hem, zeker de vrouwen. Hij was specialist in het toe-eigenen van andermans werk en het behouden van de status quo. Toen ik met mijn theorieën naar hem ging om verder te gaan en een expeditie op te zetten op zoek naar bewijsmateriaal stond hij op de rem. Ik moest het onvruchtbaar zijn loslaten en terug relevante onderwerpen bestuderen.
Overdag gehoorzaamde ik. Ik had door de jaren geleerd om dit soort gevechten niet openlijk aan te gaan. Maar in het geniep had ik aan een vriendin in een ander departement gevraagd om met speciale satellietcamera’s beelden te maken van de dichtst begroeide jungle in Afrika. De eerste beelden waren niet gedetailleerd, maar genoeg om te zoeken naar bewijs voor mijn theorie. De satelliet kon de grond onder het bladerdek in kaart brengen en in de regio waar ik het verwacht had, vond ik concentrische vierkanten. Geen natuurlijke vorm, maar meer de vorm van een getrapte piramide zoals in Zuid-Amerika. Opnieuw ging ik naar Peter, deze keer vleiend. Ik spiegelde hem de roem voor als hij die nieuwe tempel als eerste zou ontdekken. Het had gewerkt. Eerst kwam er geld vrij voor meer gedetailleerde satellietbeelden en daarna werd alles geregeld voor de expeditie die we nu aan het uitvoeren waren.
“Moussa,” begon ik, “we begrijpen dat je niet verder wil gaan, maar wij gaan wel door. Als je ons de machete meegeeft, dan geraken we wel bij ons doel.”
“Ik… Het is gevaarlijk mevrouw. Geen mens die hier voorbij gaat komt terug.”
“Dat geloof ik niet. We zullen voorzichtig zijn en jij bent al betaald.”
Hij stribbelde nog even tegen. Ik moest teken doen naar Peter dat hij niet mocht ingrijpen of hij zou het weer verpest hebben. Uiteindelijk gaf Moussa ons de machete en nog wat extra eten en drinken. Hij keek nog een laatste keer naar ons en hoofdschuddend herhaalde hij zijn waarschuwing:
“No man ever returns... Geen mens keert ooit terug!”
Eindelijk gingen we verder, Peter voorop met de machete. Na een halve dag een weg te kappen door de jungle kwamen we weer een beeld tegen. Groter deze keer, maar weer een vrouw met grote borsten die een verbodsteken maakt.
“We zijn in Afrika, maar dit beeld heeft meer weg van de Zuid-Amerikaanse beelden.”
“Je hebt gelijk, Charlotte. Kijk de versiering op de achthoekige sokkel. Dat zijn Azteekse patronen.”
“Er staat tekst onder… Dat kan niet… Ongelooflijk.”
“Wat?”
“Ik kan dit niet lezen, maar dit is Azteeks, en de volgende zijde is een Afrikaanse taal, dit is duidelijk een Aziatische taal, op het eerste zicht chinees, er zijn Egyptische hiërogliefen en dit is Latijn en Grieks.”
We bekeken de talen die we wel kenden. In het Grieks stond er hetzelfde als in het Latijn.
“Geen man mag verder!”
Ik dacht terug aan de waarschuwing van Moussa. Ik had het Engelse ‘man’ als mens geïnterpreteerd, maar in het Latijn staat er duidelijk ‘vir’ wat man betekend en niet ‘homo’ wat mens zou willen zeggen. De waarschuwing was voor Peter bedoeld. Niet voor mij.
“Dit beeld is van onschatbare waarde. Het is als de steen van Rosetta. De tekst is misschien korter, maar er staan meer talen op. Ook talen van andere continenten. Dit is bewijs dat deze cultuur contacten had over de oceaan.”
“Laten we doorgaan. De tempel kan niet ver meer zijn.”
“Geduld, Peter. Eerst wil ik nog wat foto’s nemen en markeren waar we nu zijn.”
Ik begon te fotograferen en notities te maken, terwijl Peter ongeduldig wachtte.
“Wat denk je van de tekst? Moussa zei praktisch hetzelfde. Het is niet veilig voor mannen hier.”
“Haha. Heel grappig. Je hebt me nodig om de tempel te bereiken en veilig terug te geraken. Je gaat niet alleen met de eer lopen. Ik blijf hier niet wachten voor wat eeuwenoud bijgeloof.”
“De coördinaten zijn opgeslagen. We kunnen doorgaan. Volgens de satellieten zouden we de eerste sporen van de tempel ongeveer vijfhonderd meter verder moeten vinden.”
Peter vertrok en maakte een goed tempo. Het was duidelijk dat hij nog voor de avond de tempel wilde bereiken.
Plots botsten we op een muur. Eerst dacht ik dat het heel dicht groeiende planten waren, Maar tussen de stengels door zat er mos dat groeide op stenen achter de planten.
“Dit moet de buitenste muur zijn!” begon Peter.
Ik keek links en rechts en dan op onze satellietbeelden.
“Ik denk dat je gelijk hebt. Volgens mij zitten we hier.”
Ik wees op onze kaart en we zaten in de buurt van de hoek van een tempel. Als we rechts gingen, dan konden we dat bevestigen.
“Het moet een lage piramide zijn. Als ik omhoog kijk zie ik enkel planten.”
“Dat kan optisch bedrog zijn, Peter. Het is hier zo dicht begroeid, we kunnen niet echt afstand nemen. Maar ik zie wel hoge bomen die over de muur hangen en een dik bladerdek maken, en geen hoge planten achter deze muur.”
We wandelden verder, richting de hoek. Af en toe deden we wat mos weg en net als bij het laatste beeld vonden we versieringen uit verschillende culturen. Bij de hoek weer een beeld. Ik wilde het verder bekijken, maar Peter overtuigde me om eerst de tempel te verkennen. Het was al later aan het worden. We bleven de muur volgen en kwamen aan bij een trap. Hij was bijna niet te herkennen door de plantengroei, maar eens Peter de onderste meters wat vrijgemaakt had met de machete konden we tot boven kijken. Vol spanning begonnen we aan de beklimming. De stenen muur en de beplanting hadden de piramide goed aan het zicht onttrokken, maar nu we op de trap stonden, werd de vorm helemaal duidelijk. Het leek op de piramides in Mexico, maar de versieringen verwezen naar alle culturen van enkele duizenden jaren geleden.
We klommen hoger en vanop de trap keken we naar de tussenliggende plateaus.
“Daar zouden we straks onze tent kunnen opzetten. Dan moeten we geen zone vrij kappen.”
“Je hebt gelijk, Charlotte, maar eerst wil ik de top bereiken.”
“Natuurlijk, Peter. Daarom dat ik straks zei.”
Hoe hoger we kwamen, hoe dichter we bij het bladerdek van de bomen waren. Het was prachtig, maar mijn aandacht ging toch naar de tempel. Bovenaan vonden we een altaar met daarachter een muur vol tekst in verschillende talen. We begonnen met het altaar te bekijken.
“Er staat een schaal op en er zijn duidelijk oude bloedsporen. Hier werden offers gegeven.”
“De verkleuring is nog redelijk fel. Is dat meestal niet veel fletser bij eeuwenoude tempels?”
“Je hebt gelijk, Peter. Aan het mos te zien zit het bloed er wel al lang, maar aan de kleur te zien eerder decennia dan eeuwen.”
Peter wreef met zijn hand door de schaal om wat mos weg te doen, maar hij prikte zich aan een ruw stukje.
“Auw! Nu zit er minstens één druppeltje in waarvan we weten hoe oud het is”, grapte Peter.
Ik moest even lachen maar was ondertussen druk de muur aan het bekijken. Nog veel meer talen dan op het beeld. Ik nam Peter vast en wees naar de muur.
“Hier staat weer steeds hetzelfde, maar dan in andere talen.”
Ik las het opschrift in het latijn.
“Matrem. Suscipe oblationem meam. Facite fertilis quod est sterilis. Dat betekent: Moeder aanvaard mijn offer. Maak vruchtbaar wat onvruchtbaar is.”
Peter wilde antwoorden maar de tempel begon te trillen en de muur bleek een deur te zijn die zich begon te openen.
“Ongelofelijk! Heb jij ergens op gedrukt, Peter?”
“Nee, niet dat ik weet. Dit is een eeuwenoude tempel. Hoe kan die deur ineens open gaan? Er zou toch niemand binnen zijn?”
Peter hield zijn machete in de aanslag en ik keek nog rondom me heen op zoek naar een hendel of knop, zonder de opengaande deur lang uit het oog te verliezen. Ik vond niets en de tempel stopte met trillen.
Voorzichtig keken we binnen. Er was niets of niemand te zien, enkel wat muurschilderingen en een trap naar beneden. Wat lager zagen we een bordes, maar de trap ging de hoek om.
“Wow, deze muurschilderingen zijn prachtig en nog zo kleurrijk!”
Ik zag links van me een groep vrouwen en op de muur rechts een groep mannen. Het was een duidelijk diverse groep met mensen van verschillende etniciteiten en lichaamsbouw. Totaal niet wat je zou verwachten van een oude tempel in Afrika.
“Je hebt gelijk, Charlotte, maar wat gaan we doen? Gaan we dieper de tempel in? Of zoeken we eerst uit hoe die deur open ging?”
“Ik ben wel heel benieuwd, maar we mogen niet vergeten ons kamp op te zetten voor het donker is. Zullen we anders snel even verder kijken en daarna ons kamp klaar maken?”
“Ik weet het niet. Kunnen we het wel vertrouwen? Wie deed die deur open?”
“Hallo! Is daar iemand? … Anyone there?”
“Wat doe je nu?”
“Proberen uit te zoeken of er iemand binnen is. Ik hoor niets.”
Even bleef het stil.
“Ik ook niet.”
“Laten we tot aan het bordes gaan en de hoek om kijken en dan ons kamp maken.”
“Ok dan. Ik moet toegeven dat ik ook heel nieuwsgierig ben.”
Zodra we een voet op het lagere bordes gezet hadden, zagen we een nieuwe muurschildering, maar de trillingen begonnen weer. Ik keek om en liep naar boven, maar het was te laat. De deur was toe. We zaten vast.
“Verdorie! We moeten die deur terug open krijgen.”
In het flauwe licht dat door kleine raamopeningen scheen, zocht ik de zaklampen in onze tas.
“Kijk jij links, ik zoek rechts. Er moet hier toch ergens een hendel zijn.”
“Ik vind niets hier. Ik ga even op het bordes kijken. Misschien is er ergens een steen die als knop werkt.”
“Jij hebt teveel avonturenfilms gekeken, Peter.”
“Ik zie heer geen enkele andere optie. Zodra we er een voet op gezet hadden is de deur beginnen sluiten. Heb jij een betere verklaring?”
Ik moest hem gelijk geven. Er was geen logische reden te vinden.
“Het enige dat ik kan bedenken is dat iemand ons in het oog houdt en de deur heeft geopend en gesloten vanop een afstand.”
“Dat is geen geruststelling, maar dat was ik ook aan het denken, Charlotte. Wat nu?”
Ik bekeek onze satellietzenders. Geen bereik.
“Als we niet terug kunnen, moeten we voorwaarts. Maar wel voorzichtig.”
Om de hoek was het gelijkaardig aan bovenaan in de tempel. We konden een trap zien die weer een hoek om ging. Deze was al iets minder steil. Hoe lager we kwamen, hoe meer plaats er was om dezelfde afstand naar beneden te gaan. Ik had een vermoeden dat we op een spiraalvormige trap langs de zijkant van de tempel naar beneden zouden moeten gaan. Voor we afdaalden bekeken we de muurschilderingen op het bordes. Aan mijn zijde dezelfde vrouwen, maar ze gingen allemaal een andere kant op. Sommige vrouwen waren half vrouw, half dier. Één blonde, westerse vrouw zonder dierlijke kenmerken bleef in de richting van de trap gaan.
“Blond en westers, net als ik.”
Aan Peters kant was er een gelijkaardig beeld, maar sommige van de mannen begonnen vrouwelijke en dierlijke trekken te vertonen. De enige man die door ging en normaal bleef is een zwartharige westerse man, net als Peter.
“Deze lijkt ook wat op mij. Hoe kan dit?”
We wandelden verder naar beneden. Ik voelde me een beetje raar en ongemakkelijk en ik zag dat ook Peter er niet gerust in was. We wandelden bijna tegen elkaar en keken regelmatig achterom. Daar bleef het stil en donker, maar voor ons hoorde ik heel zachtjes water lopen.
“Hoor jij dat ook? Water?”
“Ja, nu je het zegt. Zou er een bron zijn in deze tempel?”
“Het is niet heel ongewoon om een tempel aan een bron te maken. En het past wel bij het vruchtbaarheidsthema.”
“Als er water loopt in de tempel, dan moet het er ook ergens uit komen. Dat kan onze uitweg zijn.”
Op het bordes zagen we weer een trap en muurschilderingen. Hetzelfde als het vorige bordes. Ik wilde ze bekijken, maar plots hoorde ik heel dichtbij ook water lopen.
“Van waar komt dat water, Peter?”
“Oh nee!” jammerde hij.
Peter scheen naar beneden en ik zag meteen dat het water uit hem kwam. Hij was in zijn broek aan het plassen en stopte niet meteen.
“Peter! Wat doe je nu?”
“Kijk weg! Ik kan het niet stoppen en ik wil niet dat je me zo ziet!”
“Als een klein jongetje dat van schrik in zijn broek plast?” grapte ik.
Het plassen stopte.
“Heel grappig hoor. Ik weet ook niet hoe het gebeurde. Sinds we deze tempel in gegaan zijn is alles raar en onverklaarbaar. Niet alleen de deur en die muurschilderingen die op ons lijken, maar ik voelde me ook raar.”
“Ik voel me inderdaad ook raar. Ik hoop dat ik ook niet in een broekplasser verander.”
“Stop met me uit te lachen en geef me de tas en ga dan even naar een ander bordes. Dan kan ik een droge broek aan trekken.”
Ik deed wat hij vroeg en na even twijfelen ging ik toch naar het lagere bordes. Opnieuw voelde ik me raar en ik keek meteen naar mijn broek om te controleren of ik toch ook niet aan het plassen was.
Een beetje hoger hoorde ik Peter wat sukkelen en ik bekeek ondertussen de schilderingen. De blonde vrouw wandelde nog steeds door, maar er was iets veranderd aan haar. De verhoudingen waren anders of zo. Ik kon er niet meteen de vinger op leggen wat er was gebeurd met haar. Op de achtergrond zag ik de andere vrouwen en enkele dieren in de verte verspreiden. Aan de andere kant zag ik de man kruipen, maar voor ik de details kon bekijken hoorde ik: “Charlotte!”
“Wat is er, Peter?”
“Ik… Het lukt niet. Ik ga je hulp nodig hebben.”
“Om je natte broekje te verschonen?”, lachte ik terwijl ik naar boven ging.
Het lachen stopte meteen toen ik hem zag. Hij zat op handen en knieën, zoals de muurschildering een bordes lager. Aan zijn enkels zat zijn natte broek. De natte onderbroek had hij nog aan. Hij was duidelijk in paniek.
“Het lukte niet… Ik kan ook niet meer rechtstaan… Ik…”
Hij durfde me niet aankijken. Snikkend was hij aan het uitleggen wat er niet lukte en dan zag en hoorde ik hem kaka doen. Er ontstond een bult in zijn natte broek en een stank vulde de gang terwijl Peter begon te wenen.
Ik bukte me en begon hem te troosten. Hij was dan niet mijn favoriete persoon, maar deze vernedering wenste ik hem nu ook weer niet toe.
“Laat me je helpen, Peter. We moeten zo snel mogelijk een uitgang vinden en een dokter opzoeken.”
Hij keek me aan en ik zag dat zijn ogen op mijn borsten blijven hangen. Dat deden ze wel meer, maar nu was er toch iets anders in zijn blik.
“Mijn ogen zijn hier, Peter”, zei ik streng. “En het is niet omdat je in je broek doet als een baby dat ik je aan de borst zou nemen” voegde ik lachend toe.
Beschaamd keek hij weg. Ik nam de tas en begon te zoeken naar het toiletpapier en propere kleren.
Het was opnieuw ongelofelijk. Het was onze tas en er was niemand in de buurt geweest buiten Peter, maar ik vond geen kleren meer van hem. Er zaten enkel doeken in. Doeken en spelden. Groot genoeg om rond Peters billen te vouwen. Ik was geschrokken, maar liet niet meteen merken aan Peter wat ik had gevonden. Hij durfde me nog steeds niet aankijken en als een mak lammetje liet hij zich op zijn rug leggen op een doek die ik had klaargelegd naast de natte vlek op de grond. Hij kneep zijn ogen toe toen ik begon met de onderbroek voorzichtig uit te trekken. Hij was haarloos onder zijn broekje en nu ik erop lette, zag ik dat hij overal haarloos was. Ik had zijn armen en benen genoeg gezien om te weten dat ze normaal harig waren, maar nu dus niet meer. Toen het broekje uit was bekeek ik hem en ik kon een lachje niet inhouden.
“Wat? Ben je aan het lachen met mijn vuile billen?”
“Nee, Petertje, maar zien hoe klein je geschapen bent verklaart een hele hoop compensatiegedrag.”
“Wat?… Maar… Normaal is…”
“Geen excuses maken. Jij kan daar ook niet aan doen. Doe je beentjes maar omhoog en dan maken we die billetjes proper.”
Hij viel weer stil. Zijn hoofd werd nog roder dan het al was en ik zag tranen uit zijn dichtgeknepen ogen lopen terwijl ik alles schoon maakte. De vuile doek ging weg en een propere kwam in de plaats. Ik begreep niet hoe ik het deed, maar ik had het doek juist gevouwen en kon die nu over zijn kleine piemeltje plooien. Ik plooide het doek naast zijn billen omhoog en met twee spelden zat de wasbare luier perfect rond zijn midden. Alsof ik het al honderd keren had gedaan.
“Klaar!”
“Maar… Waar is mijn broek?”
“Dit was alles wat in je tas zat. Ik kan er niet aan doen dat jij alleen luiers hebt ingepakt, maar ik heb wel gemerkt dat ze nodig zijn.”
“Maar… Ik heb dat helemaal niet ingepakt.”
Als een bezetene begon hij de tassen te inspecteren. In die van hem zaten enkel doeken en spelden en dan nog een tasje. Zijn toilettas, dacht hij. Maar wanneer hij dat zakje opende, kwam er een speen tevoorschijn. Hij wou ze snel terug steken, maar die had ik gezien en ik nam ze snel uit zijn handen.
“Wat heb je daar, kleine man? Een tutje?”
“Ik weet niet hoe dat daar komt, net als die luiers. Wat heb je met mijn tas gedaan? Waar zijn mijn kleren en mijn toilettas?”
“We hadden waar twee tassen mee. Hier is de andere als je me niet gelooft.”
Met zijn zaklamp keek hij rond en in de buurt lagen enkel zijn vuile kleren, de machete, zijn tas met de tent eraan vast geknoopt en mijn tas. Hij begon die uit te laden en ik zie mijn kleren tevoorschijn komen. Er is niets abnormaals, enkel dat hij zo rustig blijft terwijl hij door mijn ondergoed gaat.
“Zie je wel! Geen kleren van jou te vinden. Ik weet niet wat er aan het gebeuren is, maar die luier lijkt me veiliger. Laten we verder gaan en een uitweg zoeken.”
Peter zat voor zich uit te staren en ik vulde de rugzakken. De vuile kleren en doeken liet ik op de grond liggen.
“Kan je stappen of kruip je mee?”
Hij probeerde even recht te komen, maar landde al snel op zijn luier. Daarna kroop hij mee de trap af. Nu ik meer tijd had, bekeek ik de muurschilderingen nog een keer. Aan Peters kant zag ik de kruipende man. Ik keek naar zijn billen en het viel op dat hij naakt was op een luier na. In de verte op de achtergrond wandelden vrouwelijke en zwangere dieren weg. Geen mannen en geen mensen. Aan mijn kant zag ik de vrouw met de gewijzigde verhoudingen. Ik betastte mezelf terwijl ik de tekening van boven tot onder bekeek. Bij mijn borsten voelde ik het verschil. Ze voelden voller, groter. Nu ik het voelde, zag ik het ook op de tekening. De vrouw was even groot, maar haar heupen en borsten waren in verhouding groter geworden. Ik zei niets tegen Peter maar ik begon me meer zorgen te maken. Onze lichamen volgenden wat er op de muren stond. Wat zou er bij het volgende bordes staan? Ik keek naar hem en zag dat hij weer naar mijn borsten staarde, maar totaal niet seksueel. Normaal zou ik hem erop aanspreken of op zijn minst plagen, maar ik liet het passeren.
“Laten we verder gaan.”
Bij elke treden lager voelde ik weer die vreemde tintelingen. Halverwege de trap werd ik me bewust van het gewicht van mijn borsten. Ze werden nog groter. Ik durfde er de aandacht niet op vestigen met de zaklamp, maar met mijn vrije hand ging ik voelen. Ik had tot nu toe een bescheiden b-cup, maar dit voelde minstens drie cupmaten groter. De bh en mijn shirt groeiden mee, want er spande niets. Hoe kon dit toch? Ik scheen even naar Peter. Hij zag er kleiner uit. Meer een tiener dan de man die hij was. Ik durfde niets zeggen en hij ook niet. Bij het volgende bordes zagen we weer schilderingen. De vrouw was nu alleen en had verhoudingen die meer en meer op een vruchtbaarheidsgodin leken. Ik voelde aan mijn lichaam en merkte de brede heupen en gigantische borsten op. Met een hand onder mijn shirt deed ik mijn bh uit. Behendig deed ik de bandjes over mijn armen en trok ik de bh naar buiten. Het was het model dat ik daarstraks droeg, maar het label zei nu ‘F’. Ik keek naar Peter en zag hem weer staren. Ik kon het het kind niet kwalijk nemen. Hij zag er nu een jaar of tien uit en er kwam een beetje kwijl uit zijn mond.
“Je bent weer aan het staren, Petertje.”
“Sojjy”, klonk het met een kinderstem.
Hij hoorde hoe hij klonk en begon meteen te huilen als en kind. Ik hing naast hem zitten en gaf hem een knuffel. Zijn hoofd lag tussen mijn grote borsten en dat kalmeerde hem duidelijk. Het wenen werd snikken en samen keken we naar de mannelijke kant van de muurschildering. De man was weg. Peter zag er in het echt uit als een kind, maar op de muurschildering kroop een baby. Peter begon te duimen toen hij de baby zag en ik wist dat hij er net zo zou uitzien tegen dat we het volgende bordes zouden bereiken. Dat bordes lag weer een heel eind verder, maar ik zag een beetje licht waar de trap de hoek om ging. Snel zocht ik het tutje in de tas en Peter nam het aan zonder protesteren. Ik tilde hem op mijn arm en ging snel de trap af. Het gewicht op mijn arm verminderde, maar dat van mijn borsten vermeerderde. Bijna bij het bordes voelde ik nattigheid. Ik dacht eerst dat Peter zin luiertje aan het vullen was, maar in het iets fellere licht zag ik die kring ter hoogte van mijn borst. Er was maar één muurschildering hier en ik wist meteen dat de baby op mijn arm ook dadelijk aan mijn borst zou drinken zoals op de muur stond.
Een kwartier eerder had ik er nog mee gelachen om ham te plagen, maar nu voelde ik voor het eerst melk uit mijn lijf vloeien in de mond van die lieve baby in mijn armen. Ik kwam binnen als onvruchtbare vrouw, maar nu was ik Petertje aan het zogen en zag ik eruit als de vruchtbaarheidsbeelden die we gepasseerd zijn. Ik denk aan de spreuk. Ik had Peter vast toen ik 'aanvaard mijn offer' had gezegd. Zijn bloed zat ook in de offerschaal. Ik heb Peter zijn volwassenheid geofferd aan de godin en heb vruchtbaarheid in de plaats gekregen. Vanop het bordes kijk ik naar het hart van de tempel. Het is er veel lichter dan op de trappen. Er staat een altaar met daarachter een bassin en daarachter een groot beeld. Uit de borsten van het beeld loopt het water in het bassin. De moedergodin die leven geeft langs haar borsten, net zoals ik het nu doe. Ik wilde gaan onderzoeken, maar mijn kind was nog aan het drinken. Niet meer die arrogante rotzak, niet mijn baas, maar mijn baby. Hij was van mij en ik zou hem veel beter opvoeden. Als hij groter werd zou hij respect voor vrouwen hebben en minder egoïstisch zijn. Daar was ik van overtuigd. De godin had hem een herkansing gegeven en mij mijn wens. Ik keek naar het beeld en prevelde “Ik zal uw cadeau niet verspillen”.
Het zuigen aan mijn borst verminderde en het luiertje werd natter en wat later ook mijn broek. Mijn shirt was al uit, maar nu deed ik ook de rest van mijn kleren uit en daarna het luiertje van mijn baby. Naakt stapten we de trap af, het heiligdom van de tempel binnen. Mijn baby en ik lachten naar de godin die ons lachend toekeek. Het was een stenen beeld en toch leek het ons aan te kijken en uit te nodigen. Met Peter op de arm stapte ik het bassin in. Hoe meer ik hem waste hoe schattiger en kleiner hij werd. Tot hij plots weg was. Toch was ik niet in paniek. Ik voelde hem nog. Ik wist dat hij veilig was. Ik stapte uit bad en zag een vruchtbaarheidsbeeld staan. Een zwangere vrouw met brede heupen, een dikke buik en zeer grote borsten. Haar hoofd was westers, haar haren lang en golvend als de mijne. Naast het beeld was er een spiegel. Mijn reflectie leek op een kleurenversie van het beeld. Ik was onvruchtbaar binnen gegaan en nu was ik het archetype van vruchtbaarheid. Ik was tevreden en dankte de moeder.
Er was een nieuwe trilling en een deur opende. Een pad weg van de tempel werd zichtbaar. Zonder nadenken ging ik op weg, volledig naakt door de jungle, vertrouwend op de zegening van de moeder. Het was schemerdonker toen ik vuur zag aan het einde van het pad. Ik werd opgewacht door onze gids Moussa en Afrikaanse vrouw die dezelfde lichaamsbouw had als ik, op de zwangere buik na. Ze was ook een stuk ouder, maar onder haar mooie gewaad zaten duidelijk brede heupen en grote borsten. Moussa kijkt naar mijn naakte lichaam. Niet begeerlijk, maar vol ontzag. Hij knielt neer voor me.
“Jij bent gezegend door de moeder”, begon de vrouw. “Net als ik ben je voorbestemd om priesteres te worden. Net als ik zal je opgeleid worden tijdens je zwangerschap en de eerste maanden van je zoons leven. Daarna wordt jij in mijn plaats de nieuwe hoge priesteres van de tempel.”
“En mijn zoon? Kan hij bij me blijven?”
“Natuurlijk. De moeder laat het niet toe een kind te scheiden van zijn moeder. Mijn Moussa is er het bewijs van.”
Ik keek naar onze gids, zoon van de priesteres.
“Jij wist heel goed wat er zou gebeuren als we verder gingen. Je had het zelf meegemaakt. Waarom liet je ons door?”
Hij keek even naar zijn moeder die knikte.
“Jullie komst was voorspeld. Ik mocht jullie helpen, maar niet in de heilige zone gaan. Alleen vrouwen en kinderen mogen daar komen.”
“Ik begrijp het.”
We wandelden verder het dorp in. Ik had me neergelegd bij mijn lot. De moeder had mij gezegend met een kind en ik zou haar terugbetalen door haar te dienen. Peter had die keuze niet gehad. Ik vroeg me af wat hij hiervan zou vinden.
“Moussa. Jij was zoals Peter. Herinner jij je nog iets van je vorig leven?”
“Nee, maar het was niet helemaal zoals Peter. Ik was geen man, ik was de hond van van mijn moeder en ik was een teefje.”
“Wat?”
De priesteres nam het over.
“Mijn man was gewelddadig. Ik was heel aan hem uitgehuwelijkt, maar was na een jaar aan verkrachtingen nog steeds niet zwanger geraakt. Mijn hond Moussa was mijn enige troost. Ze was mijn trouwste vriend en volgde me overal. Op een dag sleurde mijn man me mee naar de tempel en de hond volgde. Hij sprak de spreuk uit en sneed Moussa de keel over in de offerschaal.”
“Afschuwelijk.”
“Dat vond de godin ook. Ze verscheen in de deuropening en sprak mij man streng toe terwijl ik huilde om mijn lieve Moussa.”
“Hier dood je geen vrouwen!”
“Dat is geen vrouw, dat was maar een teef. Ik heb je een leven gegeven, geef mij nu een kind!”
“Geen respect voor vrouwen en geen respect voor leven en jij komt een kind eisen?”
De godin legde een hand op de dode Moussa en een hand op mijn man. De dode hond begon te veranderen. Zij werd meer en meer een reu. Moussa begon haren te verliezen. Zijn achterpoten werden benen, zijn voorpoten armen. Mijn huisdier, mijn beste vriendin lag nu als geofferde op het altaar in het lichaam van mijn man.
“Besef je nu wat je hebt gedaan? Heb je meer respect voor dit lijk?”
“Mijn man kon niet meteen antwoorden en toen begon hij te veranderen. Eerst vervrouwelijkte hij. Zijn heupen werden breder, zijn gezicht werd zachter en een mooi paar borsten groeide. Daarna werd de aantrekkelijke vrouw hariger. Haar armen en benen werden poten, haar gezicht werd spitser en mijn man stond er als een jammerende teef. Met een handbeweging over de nek van mijn man, de teef, bloedde ze dood. Eenzelfde beweging over Moussa’s nek deed de wonde verdwijnen en gaf hem leven. Samen gingen we binnen en in mijn buik kwam hij mee buiten. Net zoals jij vandaag. Zo gaat het sinds het begin der tijden en zo zal het blijven doorgaan.”
